Nieuws van Virgiel

Afgelopen dinsdag is de nieuwe batch Virgilius blond  gebotteld en komende dinsdag volgt nog de nieuwe Virgilius trippel. De laatste willen we dan eerst een half jaar verder laten rijpen voordat we het in de markt zetten. We mogen dit opslaan bij Hans & Margriet Schipper waar we heel blij mee zijn.

Doordat we nog voorraad Virgilius trippel hebben staan die nu voldoende is uitgerijpt, krijgt de nieuwe batch de kans om verder op de fles te rijpen.

Afgelopen zaterdag heeft Virgiel de uitgestelde wandelroute gelopen met stempelposten onderweg. Het was al eerder gepland maar toen was het heerlijk schaatsweer en hebben ze met een Koek en zopietent op het Verlaat gestaan.  Met de mogelijkheden die er zijn proberen we toch met mondjes maat activiteiten te organiseren.

 

Valkuilen en beproevingen:

                 Gierigheid, avaritia

 

Deze rubriek neemt elke week een van de zeven hoofdzonden onder de loep.

Vorige keren waren dit afgunst en wellust.

Op zoek gaan welke van de zeven hoofdzonden ons kan bedreigen.

Wanneer je gierigheid zuinigheid noemt, is het al minder erg, kan het zelfs klinken als een deugd. Maar de beoefening van zuinigheid is niet meer van deze tijd. Bezit en het tentoonspreiden van je bezit staat nu in aanzien. Bij gierigheid mag je denken aan het oppotten van rijkdommen, het geld voor je laten werken. Gierigheid is wat je hebt voor jezelf willen houden. Gierigheid is: de bedelaar voor je deur niet kunnen zien, omdat je tafel hoog opgetast is met je rijkdom.

Het is niet vreemd dat vasten en het geven van aalmoezen in een adem genoemd worden. Gierigheid staat het vasten als daad van solidariteit in de weg.

HECHTE GEMEENSCHAP DOET ER TOE (een verkorte samenvatting)

( door René Diekstra)

Een deel van mijn werk breng ik door in de straten van rotterdam , zowel de armere als de rijkere. Wat me in veel daarvan opvalt – overigens gelukkig niet in alle- is hoe weinig gevoel van gemeenschap er te bespeuren valt. Het lijkt er dikwijls op dat volwassenen hun voordeur vooral opendoen om rechtdoor de wereld in te gaan, en maar zelden rechts of links afslaan om contact te maken met medebewoners van hun straat. Alsof ze met hen niets hebben of  niets willen hebben. Ze weten dikwijls niet eens wie van de mensen die ze in hun straat tegenkomen daar nu wel of niet wonen. Laat staan dat ze van elkaar weten hoe ze heten. Anders gezegd veel Nederlanders wonen als los zand naast elkaar. Is dat erg? Blijkbaar niet , anders zouden de mensen er zelf al iets aan gedaan hebben zou je denken. Maar de vraag is of beleving hier wel een zinnig kompas vormt. Want de feiten wijzen uit dat ‘community matters‘, dat gemeenschap er toe doet, zoals Andrew Leight en Robert Putnam, twee vooraanstaande sociale wetenschappers in een prachtig artikel onlangs zo bundig formuleerden. In buurten waarin mensen elkaar bij de naam kennen, is er minder criminaliteit.

Ieders belang

In buurten waar ouders actief contact met elkaar houden, gaat het met hun kinderen op school beter. In buurten waar onderling veel vriendschapsrelaties bestaan, zijn de mensen gezonder. In buurten waar de mensen actief zijn, functioneren de overheidsinstellingen beter en zijn de toezicht- en handhavingskosten aanzienelijk lager. Kortom het is in ieders belang dat er een basisniveau aan gemeenschapsgevoel bestaat.

Gemeenschapsgevoel en actieve betrokkenheid op elkaar is geen vanzelfsprekendheid meer.

In ons dorp De Noord zal het erom gaan of we volgend seizoen nog welpen en gidsengroepen kunnen blijven draaien. De animo onder de kinderen is groot; echter de opvolging van leidsters, wat nooit een probleem is geweest (en het bestaat al sinds 1948/1950), is niet op te vullen. Jongeren hebben het vaak druk met individuele wensen en eigen belangen niet beseffend hoeveel méér voldoening men terugkrijgt door tijd en aandacht in de medemens te steken. Hier spreekt natuurlijk ‘een ouwe zak‘. Maar wel één met ervaring. Het is een tijdsbeeld wat een andere (onze) generatie neergezet heeft  en wat je niet zomaar kan veranderen. De massale opkomst van de sportscholen benadrukken het individuele tijdperk.

Hoe het komt dat gemeenschapsgevoel en actieve betrokkenheid op elkaar geen vanzelfsprekendheid meer is ?  Leigh en Putnam noemen, naast immigratie, een aantal factoren voor de VS en GB die ook ons in Nederland tot nadenken moet stemmen.

Een factor is het feit dat de generaties die tussen 1900 en 1940 geboren zijn en die qua gemeenschapsleven zeer actief waren, aanhet uitsterven zijn en opgevolgd worden door de babyboomers en de generaties X en Nix die veel individualistischer zijn ingesteld. Bij velen van hen roepen alleen al de woorden buurtvereniging of bewonersorganisatie allergische reacties op.

Een andere factor is de toename van de tijd die mensen kwijt zijn met het woon-werkverkeer en die ze besteden aan reizen en vakantie. Verder speelt de toename van het aantal werkende vrouwen een rol. Vrouwen zijn van oudsher degenen geweest op wie buurtgemeenschappen dreven.Tenslotte de rol van de televisie. Naarmate mensen meer televisie kijken, zijn ze minder actief  dan burger of vrijwilliger. Maar hoe verklaarbaar op grond van deze ontwikkelingen de afbraak van veelbuurtgemeenschappen ook is, toch gaat er iets heelmerkwaardigs achter schuil. Als mensen ergens een woning willen en kunnen huren of kopen, dan hebben ze ook het recht dat te doen. Prima. Maar nou de hamvraag. Brengt het medebewoner worden van een bepaalde straat of buurt ook bepaalde sociale verplichtingenmet zich mee? Of kun je er gewoon gaan wonen en hoef je je van je directe omgeving, en van de gewoonten en de afspraken die daar heersen, geen bal aanb te trekken?

Leefbaarheid

Anders gevraagd, hoef je geen enkele verantwoordelijkheid te dragen, laat staan te voelen voor de leefbaarheid en de sfeer in je straat of buurt? Ik ben ervan overtuigd dat de meeste Nederlanders vinden dat ze zich daar inderdaad niet verantwoordelijk voor hoeven te voelen en als ze dat soms wel even doen dat een gunst is. (Net zoals ik mij altijd kan ergeren aan die ondernemers die zich als sponsor laten afkopen; breed uit in beeld moeten komen en verder geen hand uitsteken en nog met de eer ook willen strijken en daarmee de stille werkers onder de voet lopen.) Maar die houding spoort niet. Hoe dichter bij (ons) huis, hoe groter onze invloed op en dus ook onze  verantwoordelijkheid voor de omgeving.

Kortom, er moet een einde komen aan de nationale onverschilligheid voor de leefsituatie en relaties in onze eigen straat of buurt. We hebben minstens zozeer een ‚straatcode’ als een postcode nodig. Want gemeenschap doet er al en zelfs vooral bij onze voordeur toe.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.