DE NOORD van Toen tot Nu Deel 2

Trekschuit hoofdstuk 2

De leefgemeenschap van De Noord rond 1880 was klein.

De bevolking bestond voor het overgrote deel uit kleine zelfstandigen, veehouders met een gemengd bedrijf en tuinders, die alleen in de winter koeien hielden.(z.g. opzetters). Deze koeien werden in het voorjaar weer verkocht. Deze vorm van bedrijfsvoering had een tweeledig doel. Op de eerste plaats had men in de winter voor eigen gebruik melk en men maakte boter en soms kaas, en voor de koeien was er het nodige afval van koolblad en bieten. Op de tweede plaats zorgden de koeien voor de nodige mest voor het land. Kunstmest bestond nog niet.  (de circulaire economie* waar nu zoveel om te doen is was er toen gewoon!)

Het woord kunstmest roept vragen op uit die tijd, dat er nog geen waterleiding, geen elektriciteit, geen fiets, geen auto, geen kerk, geen verenigingsleven, geen radio en TV was. Er zijn zoveel dingen die wij gewoon vinden, maar toen nog niet bestonden.

Wanneer men in de jaren omstreeks 1880 op reis moest. Was de enige mogelijkheid: de jaagschuit.

Deze werd getrokken door een paard. Het paard werd gemend en dikwijls bereden door een ‘jagersjongen’. Voor in zo’n  jaagschuit was de roef, een ruimte voor de passagiers. Voor een paar stuivers kon men meevaren naar Alkmaar om inkopen te doen of producten, zoals boter, eieren of peulvuchten te verkopen. Zo’n reis naar de kaasstad duurde ongeveer drie  uur. wekelijks voeren er ook beurtschippers die goederen, groentes enz. wegbrachten en/of ophaalden uit de grote stad. Van daaruit was er een overslag om goederen weer verder naar verdere bestemmingen door het land te vervoeren.  In de winter bij strenge vorst was het vervoermiddel over het water; de schaats. Het schaatsenrijden was in die periode niet zo zeer een sport of vermaak maar meer mogelijk om verre afstanden af te leggen. Men bezocht verre familieleden of plaatsen waar men anders nooit kwam.

Voor 1900 kwamen de meeste Noordenders niet verder dan de kerk in Langedijk (Sint Jan de Doper), Hoogwoud (Sint Jans Geboorte), Sint-Martinuskerk ‘t Veld of Heerhugowaard Zuid (Dionysius) .

Men kon zich grotendeels zelf behelpen. Men teelde aardappelen, groente en men had tarwe om brood te bakken. Eens in de week kwam een bakker rond. In die tijd ging er maar weinig geld om. De kleding was van sterke kwaliteit en een trouwpak werd ook nog gebruikt bij een zilveren bruiloft. Alleen de kosten van klompen was een zware post voor grote gezinnen met schoolgaande kinderen. Drie weken met een paar klompen was al veel. Men moet wel bedenken dat de kinderen altijd moesten lopen en niet op asfalt maar op grind of puin.

Rond 1865 was de spoorlijn Alkmaar – Den Helder voltooid. Dat bracht veel verandering. Er kwam een station Noord-Scharwoude. Een retourtje Alkmaar kostte fl. 0,30. Uit Langedijk, Winkel en Niedorp kwam drie maal per dag een postkoets met post en passagiers voor de trein. Voor Noordenders was het station per voet te bereiken. De naam Stationsweg herinnert ons hier nog aan. (zijstraat voor het tunneltje van de laanderweg). Met deze vaste verbinding met het spoor betekende voorgoed het einde van het personenvervoer per trekschuit.   

* Een circulaire economie is een economisch systeem van gesloten kringlopen waarin grondstoffen, onderdelen en producten hun waarde zo min mogelijk verliezen, hernieuwbare energiebronnen worden gebruikt en systeemdenken centraal staat. Bij een circulaire economie staan mens, milieu en economie centraal.

** In 2009 bij de voltooiing van de reconstructie van het Verlaat is aan deze trekvaart aandacht besteed. Als u loopt van het LTB huis zo naar de Velderbrug ziet u in beton en ijzererts afdrukken staan van grote paarden hoeven.

In die tijd was de enige verbindingsmogelijkheid met andere plaatsen het water. In de polder waren er toen nog geen verharde wegen, alleen loop – en rijpaden. Die in de herfst en winter vrijwel onbegaanbaar waren.

Interieur Heilig Hartkerk (kerk 1910 gewijd en Mei 1911 geconsacreerd).
Na het tweede Vaticaans concilie (1968) zijn veel veranderingen  doorgevoerd. Zoals de liturgie in de  landstaal.  Onze toenmalige pastoor Berkhout en kerkbestuur onder voorzitterschap van Jaap van Langen pakte dit wel heel rigoureus aan door een moderne beeldenstorm in 1970.
 
Het altaar, de zijaltaren, de communiebanken, de prachtige preekstoel (geschonken door de fam. De Goede). Het werd allemaal gesloopt .
Niemand van de parochiegemeenschap was hier van op de hoogte. 
Hiervoor kwam een marmeren altaar en een dure marmeren vloer voor in de plaats.
Behalve dat de sloop afschuwelijk was ging men ook de geraamde kosten van ‘deze vernieuwingen’ ver te boven.  We werden een arme parochie.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.